Door de sneeuw : roman
Details
173 p.
Besprekingen
De Volkskrant
Al eeuwenlang bejubelen schrijvers de zegeningen van het platteland. Daar zou de mens het gelukkigst zijn, ver weg van de drukke stad. De Romeinse dichter Horatius zette in de 1ste eeuw voor Christus de toon met 'Beatus ille', een ode aan het eenvoudige boerenleven.
Gelukkig is hij, schreef Horatius, die ver van alle stedelijke beslommeringen in het voetspoor van zijn voorouders de akkers ploegt.
Die plattelandsidylle werd tot grote hoogte gestuwd in de 19de eeuw. De verstedelijking nam door de industrialisatie toe. Fabrieken draaiden overuren, maar de armoede verergerde. Het platteland groeide uit tot een symbool van het goede oude leven. Daar tikte de klok trager en zogen de koeien hun longen vol met frisse lucht.Maar er waren ook schrijvers die de mythe doorprikten. Bijvoorbeeld de Deense schrijver Jens Peter Jacobsen. In zijn beroemde roman Niels Lyhne (1880) beproeft de gevoelige, poëtisch ingestelde Niels zijn geluk op het platteland, maar hij is er doodongelukkig. Hij stuit op een muur van zwijgzaamheid en sterft de eenzaamste dood denkbaar, zonder troost of zingeving.
Het platteland: is het een paradijselijk toevluchtsoord of een woeste grond, in geestelijk en fysiek opzicht?
Die vraag komt ook bovendrijven in Door de sneeuw van de Duitse schrijver Tommie Goerz (1954). In eerste instantie lijkt zijn roman een traditionele ode aan het platteland te zijn. Gaandeweg brokkelt het beeld van het rustieke, landelijke leven echter af.
Door de sneeuw is pas de tweede roman van Goerz. Na een lange loopbaan in de reclamewereld richtte hij zich eerst op het schrijven van detectives. Twee jaar geleden gooide hij het roer om en publiceerde hij zijn eerste literaire werk. Dat bleek een goede zet. Door de sneeuw werd onmiddellijk een bestseller in Duitsland. De auteur verstaat de kunst om met weinig woorden een karakteristieke, landelijke sfeer neer te zetten. Vanaf de eerste zin weet hij de lezer mee te voeren naar een andere, verstilde wereld. Zijn taal is eenvoudig en toch rijk. Af en toe komt er een fraai vergeetwoord langs, zoals gnuiven, monkelen en deerntje.
In het Alpendorp waar hoofdpersoon Max woont, lijkt de tijd stil te hebben gestaan. De oude man kijkt urenlang uit het raam naar de vallende sneeuw. Er ligt al een dik pak onder de appelbomen en de kachel is opgestookt. De sneeuw neemt de tijd en Max heeft alle tijd.
Maar dan wordt de rust verstoord door het luiden van de doodsklok. Zijn goede vriend Schorsch blijkt te zijn gestorven. Het overlijden zet een maalstroom aan gedachten in gang. Vroeger ging het oogsten gepaard met feestelijke tradities, maar met de komst van de rooimachines is daar een einde aan gekomen. Kleine winkeliers hebben de deuren moeten sluiten wegens een gebrek aan inkomsten.
De schoenmaker, slager en smid: ze zijn allemaal verdwenen. Van de drie cafés is er slechts een overgebleven. De pastoor moeten ze delen met naburige gemeenten. Van het eens zo vertrouwde dorpsleven is weinig meer overgebleven.
De grootste bedreiging vormt de nieuwbouwwijk. De nieuwelingen hebben maar weinig kaas gegeten van de ongeschreven regels en omgangsvormen. Ze doen aan wandelen zonder doel. Ze geven hun honden blikvoer met havervlokken en groenten. Nooit een fatsoenlijk stuk vlees. Aan de stamtafel komen de nieuwkomers er niet tussen. Hun grootste fout: ze begrijpen niet wanneer ze hun mond moeten houden. Niet spreken, maar zwijgen is de norm. Praten doe je 'met lange stiltes, regelmatig veranderend van onderwerp'.
De dorpelingen voelen zich ook bedreigd door de mogelijke komst van vluchtelingen. Het gerucht gaat dat een groep Afrikaanse migranten in het oude schoolgebouw gehuisvest zal worden. Boze mannen slopen vervolgens 's nachts het gebouw om dat te voorkomen.
Het is een van de vele pijnlijke herinneringen die bij Max komen bovendrijven. Vervuilde woningen, tirannieke vaders, mogelijke moord, zelfdoding en brandstichting: achter iedere voordeur opent zich een put van ellende. Het is, kortom, een 'dorp zoals alle dorpen'. Er zijn 'mensen en mesthopen. En hoe dichterbij je komt, hoe erger het stinkt'.
Goerz weet het spanningsveld tussen de oude en nieuwe wereld op overtuigende wijze neer te zetten. Een sterke vondst is het bezoek van een wandelaar aan Max. De bezoeker krijgt kruidenthee en wil het geheime recept weten. Maar Max plukt gewoon de veldbloemen, zoals hij al jaren doet. Achterlijke stedelingen, denkt hij. Later keert de wandelaar terug om foto's te maken van deze 'unieke' wereld, die op het punt van uitsterven staat. Ook dat is een pijnlijke scène, want wie is hier nu de curiositeit: Max of de nieuwsgierige fotograaf?
Zo wordt ook de lezer aan het nadenken gezet. Aan de ene kant lonkt het perspectief van het boerenleven waar iedereen elkaar nog kent en groet. De kameraadschap tussen Max en Schorsch is illustratief voor de saamhorigheid. Aan de andere kant blijkt nostalgie een slechte wegwijzer. Het dorp is ook een besloten kring, hermetisch afgesloten en ondoordringbaar voor de buitenstaander. De oude dorpelingen trekken bovendien aan het kortste eind. De vooruitgang wint het van de stilstand, de vervallen boerderijen maken plaats voor nieuwbouw.
Is dat een zegen of een vloek? Goerz kan zo mooi over vallende sneeuwvlokken en appelbomen schrijvendat de lezer vanzelf naar de eenvoud van het platteland gaat verlangen. Maar Goerz prikt de mythe ook genadeloos door. Deze eigentijdse, ambivalente variant op de eeuwenoude lofzang op het landelijke leven verdient het om gelezen te worden.
FICTIE
Tommie Goerz: Door de sneeuw
Uit het Duits vertaald door Ralph Aarnout.
Atlas Contact; 176 pagina's; € 22,99.