Details
599 p., [24] p. foto's : ill.
Besprekingen
De Standaard
Ik moest aan Charles Dickens denken toen ik Margaret Atwoods memoires las. Niet alleen omdat ze een liefhebber is van victoriaanse literatuur, ze heeft dezelfde tomeloze energie en gigantische output als haar collega uit de negentiende eeuw. Van romans en verhalenbundels tot poëzie, non-fictie en kinderboeken, Atwood is een literaire duizendpoot die haar schrijfwerk altijd combineerde met lesgeven en reizen. Hoe kreeg ze het voor elkaar? Dat is de gedachte waarmee je achterblijft en die de inmiddels zesentachtigjarige Atwood ook bezighoudt. Nu ze minder fit is, verbaast ze zich over haar jongere zelf. Ze herkent die “niet precies als mezelf, maar meer als een jonger familielid dat in veel opzichten op me lijkt”.
Jarenlang verzette Atwood zich tegen het idee een autobiografie te schrijven. “Stomvervelend”, vond ze het. Waarom ze toch overstag ging? Ze wil de verschillende beelden die over haar circuleren sinds de jaren 50 - heks, literair wonderkind, echtbreekster, om er een paar te noemen - onder de loep nemen, vertelt ze in de inleiding. Deze opmerking doet vermoeden dat Boek vol levens een onderzoekend werk zal worden, wat niet helemaal klopt.
Je zou deze autobiografie het best kunnen omschrijven als een hobbelige rit aan een fluks tempo. Atwood haalt verhalen op, staat stil bij de hoogtepunten uit haar oeuvre en schildert een gedetailleerd portret van de veranderende tijdsgeest. Ze schrijft over de literaire woestenij die Canada lang bleef, over discussies met redacteuren en vriendschappen met schrijvers als Marian Engel. Atwood doet nauwelijks aan introspectie of analyse. Ze heeft het wel over “mijn opgewekte overdagkant en duistere ondergrondse”, maar gaat daar niet op in. Ze geeft toe dat ze liever in de levens van haar personages graaft dan in het hare. De grondtoon is licht satirisch; van zelfverheerlijking is nergens sprake. Wel geeft de schrijfster enkelen die haar slecht behandelden een veeg uit de pan, met name journalisten die giftige stukken over haar schreven.
Atwood werd in 1939 geboren als tweede kind van drie. Ze schreef vaker over haar bijzondere kindertijd in het afgelegen Quebec, waar haar vader, een entomoloog, veldonderzoek deed. Haar moeder spande een kaasdoek over haar slapende baby's tegen de muskieten en leefde helemaal op in de bossen: je hoefde er tenminste je meubels niet in de boenwas te zetten. Van haar moeder erft Atwood het verteltalent, van haar vader een gevoel voor esthetiek, hij kon goed tekenen. De schrijfster gaat in op de details van haar kindertijd. Op een haast antropologische manier zet ze uiteen hoe ze de was deden, vuur maakten. Zelfs voor een detailzuchtig lezer als ondergetekende (en Atwood-fan bovendien) gaat ze daarin soms ver. De lezer hoeft echt niet te weten van welk materiaal de vloeren van Atwoods eerste school zijn of welk beroep die of die klasgenoot later is gaan uitoefenen.
Handlezen
Toch is het logisch dat ze een flinke hap van het geheel besteedt aan haar kinderjaren. Niet alleen vormden ze haar als de avonturier die ze zou worden, ze ontwikkelde toen ook een diepe band met de wildernis, die in veel van haar proza een sleutelrol kreeg. Atwood mag dan vooral bekend staan als de schrijver van Het verhaal van de dienstmaagd , uit andere titels als Kattenoog en Moreel verval blijkt hoezeer ze zich verbonden voelt met de natuur. Niet dat je haar op één thema kunt vastpinnen. Dankzij haar nieuwsgierigheid verdiept ze zich zowel in handlezen als in biologie, in burgerrechten als in de zeventiende-eeuwse puriteinen. Dat laatste komt goed van pas tijdens het schrijfproces van Het verhaal van de dienstmaagd .
Atwood heeft altijd vaag gedaan over het autobiografische gehalte van Kattenoog , een van haar meesterwerken, een roman over een negenjarig meisje dat gepest wordt door klasgenootjes. Nu de pestkop in kwestie is overleden, doet ze het hele - inderdaad autobiografische - verhaal uit de doeken. Atwood komt de nare periode te boven en heeft zich daarna nooit meer geschaamd. Ze laat niet meer met zich sollen of zich voor iemands karretje spannen en gebeurt dat laatste toch, dan ergert ze zich mateloos. Zo werd ze omarmd door feministen die haar prezen om haar keuze voor het ongehuwde moederschap. Atwood maakte alleen helemaal geen statement. Ze wilde wel trouwen met Graeme Gibson, maar die vond niet dat er behalve zijn moeder, zijn ex en zijn stiefmoeder, behoefte was aan een vierde mevrouw Gibson. Atwood en Gibson zijn nooit getrouwd, maar hadden een lange, liefdevolle relatie tot hij ten tijde van de verschijning van De testamenten overleed.
Atwood is in de eerste plaats dichter. Ze houdt ervan om een onderwerp uit een gedicht uit te diepen in proza, zoals voor Alias Grace : “De poëzie breekt een onderwerp open, en uit die breuk schiet fictie op.” Veel vertelt Atwood niet over haar schrijfproces, behalve dat ze begint met een beeld en dat ze hele nachten kan doorgaan, overal kan schrijven. Boeiend zijn de hoofdstukken over haar werk als pleitbezorger van de Canadese literatuur. Ze schreef er een overzichtswerk over, maar niette ook reclameposters aan schuttingen. Nu is Atwood een literaire popster, maar ze is altijd die speelse persoon gebleven die graag boekjes in elkaar knutselt en voor andere schrijvers in de bres springt.
Boek vol levens is een rijke autobiografie. Dit is een portret van een mensenleven en van bijna tachtig jaar (literatuur)geschiedenis. Atwoodfans zullen ervan smullen, ondanks de details en het roetsjbaangevoel.
MARGARET ATWOODBoek vol levens. Een soort memoiresVertaald door Lidwien Biekmann en Frank Lekens. Prometheus, 592 blz., € 39,99 (e-boek € 23,99) Oorspr. titel: 'A book of lives'