Details
274 p.
Besprekingen
De Standaard
Het moet aan de oevers van de Pripjat zijn geweest dat Konstantin Paustovski besloot schrijver te worden. Hij heeft dan de hele zomer doorgebracht in het joodse stadje Tsjernobyl, in een landhuis als leraar bij de zoons van generaal Levkovitsj. Nu wacht hij op de boot terug naar Kiev. Hij zet de kraag van zijn gymnasiumjas op en kijkt om zich heen. Het scherpe oog van de jonge Paustovski ziet voshengsten en wandluizen, hij luistert bij de provinciekapper naar de verhalen over rabbijnen en veerlieden.
Tsjernobyl zou een vergeten stadje in Oekraïne zijn geweest als de Sovjets er in de jaren 70 geen kerncentrale zouden hebben gebouwd, en als Paustovski er niet zijn eerste verhaal zou hebben geschreven. Hij brengt het naar een tijdschrift en neemt al snel een rigoureus besluit: “Mijn voorraad levenservaringen was veel te pover en veel te karig […] Ik moest mij eerst tot berstens toe met leven vullen.” De gymnasiast besluit dat hij niet wil schrijven voor tijdschriftredacteurs, niet voor uitgevers, zelfs niet voor de enige dochter van de boswachter van Tsjernobyl. Hij wil alleen nog maar voor zichzelf schrijven. “Je moet ruim baan geven aan je eigen innerlijke wereld, alle sluizen openzetten en zult dan plotseling met verbazing merken dat er in je bewustzijn veel meer gedachten, gevoelens en dichterlijke kracht schuilen dan je vermoedde.”
Vuilnisman
Konstantin Paustovski (1892 - 1968) is zonder twijfel een van de grootste Russische schrijvers. De boeken van zijn tijdgenoten Isaak Babel, Vasili Grossman en zeker zijn klasgenoot Michail Boelgakov zijn misschien bekender, maar het fijngeslepen waarnemingsvermogen en het diepromantische humanisme van Paustovski zijn simpelweg ongeëvenaard. De gouden roos ontleent de titel aan een verhaal dat Paustovski in zijn jeugd hoorde. Het verhaal van Jean Chamette, een vuilnisman in Parijs die het stof en vuil uit de werkplaatsen van ambachtslieden verzamelde, net zo lang tot hij genoeg goudvijlsel had om er een sieraad van te smelten, een gouden roos. Chamettes verhaal toont waar het Paustovski om te doen is. “Elke vorm van arbeid laat afval achter, ook het werk van een schrijver. Gewoonlijk wordt slechts een deel van het door de auteur verzamelde materiaal verwerkt, het goudstof van de werkplaats”, zei hij daarover.
In de losse verhalen in dit boek lezen we bespiegelingen over het werk van Russische grootmeesters als Lev Tolstoj, Anton Tsjechov, net als over Joeri Olesja en Ivan Boenin - maar ook over Max Havelaar van Multatuli, of het schilderwerk van Isaak Levitan en Claude Monet.
Maar het mooist zijn de jeugdherinneringen. Bijvoorbeeld wanneer Paustovski als kind een zomer doorbrengt bij zijn grootvader. De oude man “schermde met zijn hand zijn ogen af tegen de zon, tuurde lang over de velden aan de overkant van de rivier, spuwde geërgerd op de grond en zei in een mengelmoes van Russisch en Oekraïens: 'Daar heb je 'm weer, die beul, die vuilak! Lazerde die nou maar eens voorgoed op!'” Het is een zandstorm. Of volgens Paustovski zijn eerste kennismaking met de woestijn. “Grootvader wond snel het snoer van zijn hazelnoten hengel op en zei tegen mij: 'Zorg dat je thuiskomt, want zo dadelijk raken je ogen vol stof. Ik sukkel er wel achteraan. Vooruit, zet 'm op!'”
De aantekeningen zijn fragmentarisch. Soms is het de aanzet tot een nieuw boek of een bundel, soms een wat schoolse introductie in het werk van Poesjkin of Gogol. Het best lees je De gouden roos als een masterclass. We leren kijken met het haviksoog van de meester. Wanneer Paustovski schrijft over regen, dan heeft hij het over motregen, stofregen, plensregen, regen die in flarden valt, slagregens, gietregens. Bovendien laat een regen zich aankondigen. “De zon gaat tussen de wolken onder, de rook slaat neer, de zwaluwen vliegen laag, de hanen kraaien te pas en te onpas op de erven, de wolken rekken zich tot lange nevelflarden aan de hemel uit.” Dat is pas schrijven.
Dennengeur
Als hospik blies Paustovski met het Russische leger de aftocht door Polen en Belarus. Na de revolutie zwierf hij door delen van wat nu de Sovjet-Unie was geworden. Het is zijn romanticisme, zijn unieke oog voor de mens, dat hem grotendeels voor de Sovjet-censuur heeft kunnen behoeden. Paustovski schreef over mensen, over de natuur. Op het eerste oog onschuldig.
In de Tweede Wereldoorlog werd hij ingescheept als correspondent aan het zuidelijke front. Hoe verder van huis, hoe scherper de herinnering. “Ik betrapte mijzelf erop dat ik vol ongeduld op de nacht wachtte omdat ik dan ergens in een dor ravijn in de steppe, onder mijn uniformjas weggedoken in de bak van de vrachtwagen, in gedachten terug kon keren naar deze plekjes (de bossen, red.) en er langzaam en rustig doorheen kon wandelen en de dennengeur opsnuiven.”
Na de oorlog doceerde Paustovski literatuur en werkte hij gestaag aan een oeuvre. In 1965 werd hij genomineerd voor de Nobelprijs, die gewonnen werd door Michail Sjolochov, wiens proza veel saaier was. Het is vertaler Wim Hartog geweest die het werk van Paustovski de afgelopen decennia in Nederland en Vlaanderen aan de man bracht. Een titanenwerk. Bedenk maar, wanneer Paustovski de verschillende soorten bos in zijn thuisland opsomt, is het Hartogs taak de juiste woorden te vinden voor mastbos, espenbos, kreupelbos, schaarhout, boszoom, berkenbos, eikschiller, run, tra, rijshout … Moeiteloos veegt Paustovski vijf decennia aan literatuur en herinneringen bijeen. Hij zeeft, houdt tegen het licht wat er blinkt. Net zo lang tot er genoeg goudvijlsel is voor een sieraad.
KONSTANTIN PAUSTOVSKIDe gouden roos Vertaald door Wim Hartog. Van Oorschot, 280 blz., € 23,50 (e-boek € 14,99)