Zo zingt de pijn : van intergenerationeel trauma naar intergenerationele troost
Zo zingt de pijn : van intergenerationeel trauma naar intergenerationele troost
In Zo zingt de pijn
Aya Sabi (1995) is schrijver. In 2020 werd ze door NRC benoemd tot een van de literaire talenten van het jaar. Haar debuutroman Half leven werd genomineerd voor de Confituur Boekhandelsprijs, de Hebban Debuutprijs en de Opzij Literatuurprijs en won de PrixFintro Publieksprijs. In 2024 ontving Sabi de Jonge Veer en de Ultima voor Opkomend Talent.
MinderDetails
237 p.
Besprekingen
De Standaard
In de week dat haar romandebuut Half leven (2022) zou verschijnen, bracht Youtube ongevraagd de spirituele leider Eckhart Tolle op het pad van Aya Sabi. Ze had Tolle en zijn De kracht van het nu (1997) tot dan toe “actief vermeden”, schrijft ze in het essay Zo zingt de pijn , maar die dag had ze geen verweer. Ze luisterde, bleef luisteren, en zag alles verkruimelen wat ze als schrijver had geloofd. Hoezo dacht ze dat pijn te remediëren was door hem in taal te gieten?
Wat Aya Sabi in het essay Zo zingt de pijn doet, is minstens even gedurfd als wat ze in haar romandebuut deed. Ze haalt hier als prille schrijver de premisse van haar enthousiast onthaalde romandebuut onderuit, en verweeft haar twijfels over de helende kracht van verhalen met een verslag van haar zoektocht naar een 'heel leven', een leven dat niet verkrampt van pijn geleefd wordt. Terwijl Half leven literair ambitieus was, doorwrocht, met een taal die zinderde, is Zo zingt de pijn een spaarzaam, tastend, haast kaal verslag van een persoonlijk proces.
We zien Sabi vervellen van iemand die in haar hoofd zit tot iemand die haar lichaam leert vertrouwen. Ze stelt interessante vragen over de rol die taal en verhalen in onze levens spelen, en het is een voorrecht om te mogen meekijken in dat schrijvershoofd-in-crisis, in dat ongenadige onderzoek naar wat ze zelf van de taal verwacht heeft, en wat die taal haar vooral niet gebracht heeft.
Ademen
Gaandeweg verschuift de focus van wat het hoofd en de taal niet kunnen naar wat het lichaam wel kan. Sabi leert haar angsten controleren, niet door anders te denken, maar door anders te ademen. Ze krijgt de diagnose van PCOS (polycysteus ovarium syndroom), die ze ziet als een bevestiging van haar staat van 'onthechting' - als in: nergens thuis, nergens geliefd, altijd gestresseerd. “Een nieuw vraagstuk om over na te denken”, stelt ze simpelweg vast.
Het is een inspirerend proces waar Sabi doorgaat, en Zo zingt de pijn gloeit van de hoop, alsof de pijn en de eenzaamheid ultiem plaatsmaken voor kalmte en geloof in anderen en de wereld. Het is ook een eerlijk boek, zonder dat het schaamteloos autobiografisch is. Sabi verliest zich niet in details, ze beperkt zich tot de fases in het proces die wezenlijk zijn, en schrijft die zo op dat ze ademen. Ze laat de lezer veel ruimte, wat het essay tot een uitnodigende tekst maakt.
De abstractie heeft bij momenten één nadeel: voor een boek dat de lichamelijke ervaring zo centraal stelt, valt er weinig in te voelen. Sabi vindt nog niet echt een eigen taal voor de lichamelijke ervaringen die de stuwende kern zijn van wat ze doormaakt. Ze leunt voor een deel op de taal van de (zelf)hulpverlening, die aanschurkt tegen het banale. Het wringt dat iemand met de schrijfkwaliteiten van Sabi clichétermen als 'heling' laat binnensijpelen in een boek dat zich presenteert als een literair essay (het is prachtig uitgegeven, gemaakt om veelvuldig cadeau te doen).
Ik had het graag in meer schakering en glorie gelezen en gevoeld, hoe ze zich bevrijdt van haar angsten, wat een openbaring het is als ze merkt dat ze zichzelf al ademend tot rust kan brengen, of als ze uiteindelijk in die zee met magische kwaliteiten zwemt. Maar toegegeven, schrijven over ingrijpende niet-talige ervaringen, over wat de ratio overstijgt, is van het moeilijkste wat er is.
Dit essay voelt als een begin. Ondanks alle vragen spreekt er een geloof in taal uit, en leest het ook als een voorzet voor een zoektocht naar een nieuwe taal en nieuwe verhalen en vormen.